Commentaar SIN-NL
Het Big register vermeldt bij Willem Krook naast de doorhaling in 2017 ook een berisping in 2015.:
De zorgverlener mag niet werken in het beroep waarvan het BIG-nummer is doorgehaald.
Naam
W. Krook
Geslacht
Man
BIG-nummer
69022255301
Beroepsgroep
Artsen
Plaats
Tuk
Aantekening
De inschrijving in het register van artsen is per 16 mei 2017 doorgehaald. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag.
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 26 januari 2015 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: onjuiste behandeling/verkeerde diagnose.
————-
Eén dag celstraf voor ontucht door huisarts
Een huisarts uit Steenwijkerwold is veroordeeld tot één dag celstraf en een taakstraf van honderd uur vanwege het onzedelijk betasten van een patiënte.
De rechtbank Overijssel acht het bewezen dat de zestiger ontucht pleegde met de dertig jaar jongere patiënt. Eind maart werd hij door het tuchtcollege in Zwolle geschrapt uit het BIG-register. In de tuchtzaak komt naar voren dat de patiënte bekend was met psychiatrische problemen, op een zwakbegaafd intelligentieniveau functioneerde en geldproblemen achter wilde houden voor haar ouders. De huisarts had sinds zes jaar een behandelrelatie met haar, stuurde haar regelmatig per sms of e-mail liefdesverklaringen en masseerde een aantal keren haar rug. Op 6 november 2016 kwam hij bij haar thuis, masseerde, streelde en kuste haar in haar bed. Toen hij vertrok liet hij 50 euro bij haar achter, voor haar verjaardag en om haar schuldenproblematiek te verdoezelen voor haar familie. Na e-mailcontact met de patiënte, waarin zij aangaf dit niet gewild te hebben, en overleg met zijn collega’s legde hij zijn werkzaamheden als huisarts, opleider en SCEN-arts neer op 15 november 2016.
Hoewel de officier van justitie twaalf maanden gevangenisstraf eiste, achtte de rechter dat niet nodig, omdat er al langere tijd contact werd onderhouden tussen de huisarts en de patiënte en dat daarbij ook initiatief is genomen door de patiënte. Daarnaast heeft de verdachte, volgens de rechtbank, vanaf het begin van het onderzoek volledige verantwoordelijkheid genomen en openlijk zijn fouten erkend. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat de man zijn werk als huisarts per direct heeft moeten neerleggen en een tuchtrechtelijke maatregel heeft gekregen. Die ene dag celstraf heeft de verdachte waarschijnlijk al in voorarrest doorgebracht.
lees ook
-
Huisarts geschrapt vanwege seksueel misbruik
02 april 2015
-
Huisarts geschorst om relatie met patiënte
13 januari 2014
-
De rekening voor seks met een patiënt
30 augustus 2011
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 19-10-2017
- Datum publicatie
- 19-10-2017
- Zaaknummer
- 08/770088-17
- Rechtsgebieden
- Strafrecht
- Bijzondere kenmerken
- Eerste aanleg – meervoudig
- Inhoudsindicatie
-
De rechtbank Overijssel veroordeelt een huisarts voor het plegen van ontuchtige handelingen met een patiënte tot een gevangenisstraf van 1 dag en een taakstraf van 100 uur.
De vrouw had zich met haar specifieke problematiek aan de huisarts toevertrouwd en mocht erop rekenen dat hij, ook in een verhouding die in de tijd vriendschappelijk van aard werd, professionele distantie zou hebben bewaard. Hij had zich tijdig moeten realiseren dat het door hem met de vrouw ingeslagen pad risicovol was en zou kunnen leiden tot situaties waarin het overschrijden van grenzen op de loer lag. De huisarts, ondanks zijn ongetwijfeld integere bedoelingen, distantieerde zich niet van de vrouw en creëerde uiteindelijk een situatie waarin dit kon plaatsvinden.
De rechtbank oordeelt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen redelijk doel dient. Gezien de specifieke context waarin het ten laste gelegde is gepleegd, de lange voorgeschiedenis waarbinnen de vrouw en de huisarts contacten hebben onderhouden waarbij ook van haar initiatieven zijn uitgegaan, en het gegeven dat uit de arts niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.
- Vindplaatsen
- Rechtspraak.nl
Uitspraak
Rechtbank Overijssel
Afdeling Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer 08/770088-17 (P)
Datum vonnis: 19 oktober 2017
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 oktober 2017.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Zwartjes en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. H.G.E. Klatter, advocaat te Veendam, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg als huisarts, op 6 november 2016 heeft schuldig gemaakt aan het onzedelijk betasten van zijn patiënte [slachtoffer] .
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 06 november 2016 te Steenwijkerwold, gemeente Steenwijkerland , terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,
door:
– het (al dan niet) met een of meer vinger(s) binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] , althans het houden van en/of wrijven met een of meer vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
– het met een/de hand(en) en/of vinger(s) betasten/aanraken van en/of wrijven over en/of voelen aan de borsten en vagina van die [slachtoffer] en/of
– het kussen van de borsten en/of vagina van die [slachtoffer] .
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 De bewijsoverwegingen
4.1Inleiding
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting het hem ten laste gelegde bekend, met uitzondering van het gedeelte van de tenlastelegging waarin staat opgenomen dat hij met zijn vingers de vagina van aangeefster is binnengedrongen althans zijn vingers heeft gehouden, dan wel met zijn vingers heeft gewreven, tussen de schaamlippen van aangeefster.
4.2Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte in combinatie met de bekennende verklaring van verdachte. Wat betreft het binnendringen van de vagina van aangeefster, althans het houden van zijn vingers of met zijn vingers wrijven tussen de schaamlippen van aangeefster, volgt de officier van justitie de lezing van aangeefster, zodat ook dit gedeelte van de tenlastelegging volgens haar bewezen kan worden.
4.3Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit om verdachte vrij te spreken van het gedeelte van de tenlastelegging dat door hem wordt ontkend, en heeft daartoe aangevoerd dat het verhaal van aangeefster op bepaalde punten vreemd is en niet overeen komt met de verklaringen van haar cliënt. De raadsvrouw is van mening dat de rechtbank bij haar oordeelsvorming hierover de persoonlijkheidsproblematiek van aangeefster in ogenschouw moet nemen, mede gezien de door getuige [getuige] en de vader van aangeefster afgelegde verklaringen.
4.4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit grotendeels heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met uitzondering van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het binnendringen in de vagina of wrijven met een of meer vingers tussen de schaamlippen van aangeefster, zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.
Verdachte heeft ontkend dat hij met een of meer vingers in de vagina van aangeefster is binnengedrongen. De rechtbank zal verdachte van dit ten laste gelegde gedeelte vrijspreken. Verdachte heeft van meet af aan openheid van zaken gegeven over de feiten waarbij hij zichzelf heeft belast. Hij heeft dit onderdeel van de tenlastelegging echter consequent nadrukkelijk ontkend. Nu deze verklaring tegenover de verklaring van aangeefster dat hij wel met zijn vingers in haar vagina is geweest staat, terwijl steunbewijs voor dit onderdeel van de tenlastelegging ontbreekt, zal de rechtbank dit onderdeel niet bewezenverklaren. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte met zijn vingers tussen de schaamlippen van aangeefster is geweest. De rechtbank neemt hierbij niet alleen de aangifte van [slachtoffer] in aanmerking maar ook de eigen verklaringen van verdachte omtrent het strelen over de vagina van [slachtoffer] . Verdachte heeft te kennen gegeven bij het aldaar strelen fysieke opwinding waargenomen te hebben bij [slachtoffer] . Aldus kan het niet anders zijn dan dat verdachte met een of meer vingers tussen de schaamlippen is geweest.
4.5De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
hij op 06 november 2016 te Steenwijkerwold, gemeente Steenwijkerland , terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënte aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd,
door:
– het wrijven met een of meer vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en
– het met een hand en/of vinger(s) betasten/aanraken van en wrijven over en voelen aan de borsten en vagina van die [slachtoffer] en
– het kussen van de vagina van die [slachtoffer] .
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp/zorg heeft toevertrouwd.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
7 De op te leggen straf of maatregel
7.1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, mede gelet op de toepasselijkheid van artikel 22b Sr, voor het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
7.2Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van haar cliënt en stelt dat een gevangenisstraf niet passend is omdat haar cliënt vanaf het begin zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en al in grote mate is gestraft nu hij niet alleen zijn baan als huisarts kwijt is, maar ook zijn maatschappelijke status in zijn woonplaats. De raadsvrouw heeft bepleit om over te gaan tot de oplegging van een werkstraf.
7.3De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.
Verdachte heeft aangeefster op 6 november 2016 onzedelijk betast terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg in de hoedanigheid van huisarts. Deze omstandigheid maakt dat van hem mocht worden verwacht dat hij – te allen tijde – afstand bewaarde en zich professioneel en integer zou gedragen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij de grenzen van het betamelijke heeft overschreden en door zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Aangeefster had zich met haar specifieke problematiek aan verdachte toevertrouwd en mocht erop rekenen dat verdachte, ook in een verhouding die in de tijd vriendschappelijk van aard werd, professionele distantie zou hebben bewaard. Juist de afhankelijkheidsverhouding die in de relatie arts – patiënt gegeven is maakt dat verdachte zich tijdig had moeten realiseren dat het door hem met aangeefster ingeslagen pad risicovol was en zou kunnen leiden tot situaties waarin het overschrijden van grenzen op de loer lag. Verdachte heeft zich evenwel, ondanks zijn ongetwijfeld integere bedoelingen, niet gedistantieerd van aangeefster en hierin uiteindelijk mede een situatie gecreëerd waarin het ten laste gelegde kon plaatsvinden. Daarnaast rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij het vertrouwen van de maatschappij in de beroepsgroep waar hij deel van uitmaakte heeft geschonden.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank acht een dergelijke strafoplegging niet opportuun. Gezien de specifieke context waarin het ten laste gelegde is gepleegd, de lange voorgeschiedenis waarbinnen aangeefster en verdachte contacten hebben onderhouden waarbij ook van aangeefster initiatieven zijn uitgegaan, en het gegeven dat uit een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 31 augustus 2017 blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen, dient een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen redelijk doel.
Bij het bepalen van de hoogte en modaliteit van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies, opgesteld door R. Verhoef, reclasseringswerker, van 25 september 2017. Uit dit advies blijkt onder meer dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Ook de rechtbank heeft de indruk gekregen dat verdachte niet nogmaals tot dergelijke feiten zal komen. Tot die overtuiging is zij gekomen met name doordat verdachte vanaf het begin van het onderzoek volledige verantwoordelijkheid heeft genomen en openlijk zijn fouten heeft erkend. Verder neemt de rechtbank in uitdrukkelijke mate in aanmerking dat verdachte naar aanleiding van het feit zijn werk als huisarts per direct heeft moeten neerleggen en het gegeven dat hij een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen.
De rechtbank zal verdachte, alles overwegende en rekening houdend met de toepasselijkheid van artikel 22b Sr, een gevangenisstraf opleggen voor de duur van één dag, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 100 uren.
8 De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 22c en 22d Sr.
9 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
– verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
– verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
– verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
– verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: het misdrijf: werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp/zorg heeft toevertrouwd;
strafbaarheid verdachte
– verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
– veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag;
– bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 100 (honderd) uren;- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;
1. het proces-verbaal van aangifte van 21 november 2016, pagina 23-39;2. het proces-verbaal van bevindingen van 16 november 2016, pagina 40-69;3. het proces-verbaal van verhoor verdachte van 30 november 2016, pagina 126-142;4. het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 oktober 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering.
1. het proces-verbaal van aangifte van 21 november 2016, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pagina 23-39):
(…) Toen ging hij mijn vagina strelen. (…) Hij steekt zijn vingers in mijn vagina. (…) Ik voelde twee vingers. (…) Hij bewoog met zijn vingers in mijn vagina heen en weer. (…);
2. het proces-verbaal van verhoor verdachte van 30 november 2016, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende (pagina 126-142):
(…) V: Wat doe je precies bij haar vagina? A: Ik ga met mijn hand op en neer. (…) V: In hoeverre zijn jouw vingers tussen haar schaamlippen geweest? A: Als ik zou zeggen absoluut helemaal niet dat weet ik niet, maar niet dat ze er tussen verdwenen ofzo. (…);
3. het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 oktober 2017, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:
(…) Ik heb met de vlakke hand over de vagina van aangeefster gevoeld. (…) Ik heb wel gevoeld dat de vagina van aangeefster vochtig was. (…).
1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, met nummer [dossiernummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal
Beslissing d.d. 31 maart 2017 naar aanleiding van de op 10 november 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A, wonende te B,
bijgestaan door mr.P.J. Roelse,
k l a a g s t e r
-tegen-
C, huisarts, werkzaam te D,
bijgestaan door mr. A.H. Wijnberg,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met de bijlagen;
– het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
– het verweerschrift met de bijlagen.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling gehoord te worden in vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 14 februari 2017, alwaar zijn verschenen klaagsters gemachtigde, en verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde. Klaagster heeft bij monde van haar gemachtigde laten weten niet op de zitting aanwezig te zijn.
De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster, geboren in 1983, was bekend met psychische problemen waarvoor ze sinds zes jaar hulp zocht bij verweerder. Daarnaast kreeg zij begeleiding vanuit ‘E’. Zij bezocht verweerder elke week op zijn praktijk. Daarnaast bezocht verweerder klaagster bij haar thuis. Verweerder heeft tijdens die contactmomenten, omdat klaagster de behandeling van een fysiotherapeut niet vergoed kreeg, regelmatig haar rug gemasseerd. Klaagster en verweerder hadden regelmatig persoonlijk gekleurd contact per e-mail en sms. In de e-mailberichten schreef verweerder onder meer het volgende: “Ik vond het fijn om je rug te masseren, ik hoop dat het voor de pijn ook wat geholpen heeft”, “Ik vind het fijn om iets voor je te doen. Als jij naar me lacht is mijn dag weer goed. Als ik alleen je rug zie is het ook goed”, “He lieverd, ik hou van jou”, “Ik hou van jou. Ik hou van je fouten. En ik hou van je lieve lach”, “Je houdt vast niet zoveel van mij als ik van jou, dat kan haast bijna niet”, “Ik weet zeker dat ik meer van jou hou!”, “Het duurt best nog wel lang tot ik je weerzie, maandag. Jij maakt mij ook altijd blij als ik wat van je lees of als ik bij je ben.”, “Ik vind je leuk, ik vind je lief, ik ben gek op jou” en “doe je vanavond nog open als ik over een half uurtje aanbel?.” De e-mailberichten werden door verweerder onder meer als volgt ondertekend: “kus, Wim”, “dikke zoen, tot maandag”, “KUS!”, “megazoen van mij”, en “lieve Alicia, ik mis je, ik hou heel veel van je. MEGAKUS XXX”.
Op 6 november 2016 ging verweerder ’s avonds bij klaagster op bezoek. Verweerder heeft die avond in bed fysiek contact met klaagster gehad door haar rug te masseren, haar borsten, buik en vagina te strelen en haar te zoenen. Toen verweerder naar huis ging heeft hij € 50,- bij haar achtergelaten.
Klaagster heeft in de periode hierna per e-mail en sms contact met verweerder gehad. Per sms berichtte klaagster verweerder onder meer: “Waarom ging je mij zoenen? Waarom ging je aan mij zitten overal?”, en “Wat je zei is dat echt zo? Ben jij verliefd op mij? Je hebt gewoon aan mijn vagina gezeten en overal. Omdat? Hoe moet dit verder nu? Raak ik je kwijt als ik nee zeg”, en “Waarom deed je het dan? Ik begrijp het niet. Je wist dat ik een fles Passoa had leeg gedronken. Ik weet mij geen houding te geven als ik je zie nu. Het was stom.” , en “Jij had de verstandigste moeten zijn. Ik was helemaal dronken. Ik moet erover praten. Zal ik het tegen X zeggen?”, en “Ik ben hartstikke erg bang. Hoe nu verder? Ga je niks tegen mijn ouders vertellen? Merkt Y niks? Zeg je niks van mijn koopverslaving tegen mijn ouders?”.
Verweerder sms-te eerst aan klaagster: “He mooie lieve vriendin, heb je goed geslapen? Doet je telefoon het nog? Ik hou van jouw rug, je buik, je mond en zelfs van jouw tranen.” Op haar berichten reageerde hij daarna per sms onder meer als volgt: “Ja, ik ben verliefd op je, stom he. Sorry. Ik had niet zo aan je moeten zitten. Je hebt helemaal gelijk dat ik beter had moeten weten. En natuurlijk mag je nee zeggen. Ik zal dat respecteren.”, en: “Alicia het spijt me dat je je zo voelt. Ik wil je geen kwaad doen. Zullen we vanmiddag verder praten?”, en “Alies ik ben stom geweest, maar ik geef nog hartstikke veel om je. Je weet best dat ik dit niet tegen je ouders of tegen Y zeg. Zoen.” en “Alies, ik snap hoe je je voelt. Natuurlijk heb ik liever dat je met mij praat.”.
Op 7 november 2016 stuurde verweerder klaagster tevens het volgende e-mailbericht, met als onderwerp “I can’t stop”: “Hé lieve vriendin, voel je je vanmorgen weer wat beter? Ik heb superslecht geslapen, volgens mij helemaal niet.” Klaagster berichtte verweerder diezelfde dag als volgt: “Ongeacht hoe het nu verder gaat, Je gaat echt nooit tegen mijn ouders iets vertellen? Van alles, Van de schulden?”.
Op 8 november 2016 stuurde verweerder aan klaagster een e-mailbericht met de volgende inhoud: “Alicia, Ik zal niet zomaar tegen je ouders vertellen dat je schulden maakt. Dat heb ik je al heel vaak verteld. Dat zal ik ook niet doen als je een tuchtzaak tegen mij start. Hoewel ik dat natuurlijk best erg zou vinden. Je moet je wel realiseren dat tuchtzaken openbaar zijn. Dat betekent dat iedereen erbij kan zitten. Zelfs journalisten schrijven erover. Maar je moet zelf weten wat je hiermee doet. Je bent daar ook zelf verantwoordelijk voor. Dat is geen keuze die ik voor je kan maken. He Alicia, veel sterkte, Wim.”
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij op 6 november 2016 intieme handelingen bij haar heeft verricht terwijl ze dit niet wilde.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder erkent dat hij regelmatig per e-mail en sms liefdesverklaringen heeft gestuurd naar klaagster. Ook heeft hij een aantal keren haar rug gemasseerd. Hij erkent verder dat hij op 6 november 2016 bij klaagster thuis is geweest en haar in bed heeft gemasseerd, haar borsten, buik en vagina heeft gestreeld en haar heeft gekust. Hij heeft klaagster € 50,- voor haar verjaardag gegeven zodat zij haar schuldenproblematiek verborgen kon houden voor haar familie. Verweerder realiseert zich dat hij heeft gehandeld in strijd met bepaling II.11 van de Gedragsregels voor artsen en de daaraan gekoppelde notitie van de KNMG ‘Seksueel contact tussen arts en patiënt: Het mag niet, het mag nooit.’ Verweerder betreurt dat hij te weinig professionele distantie heeft bewaard en dat hij daarmee het door klaagster in hem als arts gestelde vertrouwen heeft beschaamd. Hij heeft begeleiding en coaching gezocht van een loopbaanpsycholoog. Hij is met zijn collega’s van zijn maatschap in overleg over zijn vertrek omdat zij hebben aangegeven niet meer langer met hem te willen samenwerken. Hij is sinds 15 november 2016 niet meer als huisarts, opleider en SCEN-arts werkzaam.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Naar verweerder heeft erkend, heeft hij een langdurige relatie onderhouden met klaagster die zich aan zijn zorg had toevertrouwd. Op 6 november 2016 heeft verweerder intiem contact met klaagster gehad. Het college is van oordeel dat de klacht daarover gegrond is. Verweerder heeft in strijd gehandeld met de Gedragsregels voor artsen en de daaraan gekoppelde notitie van de KNMG ‘Seksueel contact tussen arts en patiënt: Het mag niet, het mag nooit.’ In plaats van afstand te bewaren en zich volledig te concentreren op de hulpvragen van klaagster, waarop hij ‘slechts’ professioneel had in te gaan, heeft verweerder het laten gebeuren dat hij in eerste instantie een vriendschappelijke, maar in de loop der tijd een liefdesrelatie met haar is aangegaan. Hij heeft hiermee de grenzen van het professionele handelen overschreden en aldus in strijd gehandeld met de zorg die hij in zijn hoedanigheid van huisarts had moeten betrachten. Hierdoor heeft hij het vertrouwen dat in hem als zorgverlener werd gesteld ernstig geschaad.
5.2
Nu de klacht gegrond is ligt de vraag voor welke tuchtmaatregel behoort te worden opgelegd. Bij de keuze van die maatregel moet de preventieve werking het uitgangspunt zijn. Volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege zijn gedragingen zoals die aan verweerder worden verweten zodanig strijdig met hetgeen van een integere en betrouwbare zorgverlener verwacht mag worden, dat een maatregel opgelegd moet worden. Die maatregel is aangewezen om te voorkomen dat zorgbehoevenden nog verder aan dat gedrag van die zorgverlener worden blootgesteld. In beginsel is ten minste een schorsing van de inschrijving van verweerder in het BIG-register passend en geboden (CTG 10 april 2014 C2013.226). Het college is evenwel van oordeel dat er in deze zaak verzwarende omstandigheden zijn, die maken dat aan verweerder een zwaardere maatregel dan een schorsing dient te worden opgelegd. Toegespitst op het grensoverschrijdende gedrag dat verweerder als huisarts wordt verweten, wordt het volgende overwogen.
5.3
Het college vindt het zeer zorgwekkend dat verweerder zich niet eerder heeft gerealiseerd dat hij grensoverschrijdend bezig was. Hij heeft gedurende een periode van zes jaar een behandelrelatie met klaagster gehad. Klaagster was bekend met angststoornissen en psychische problemen en functioneerde, zoals ter zitting is gebleken, op een zwakbegaafd intelligentieniveau. Daarnaast had zij geldproblemen die zij voor haar ouders verborgen wilde houden. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij klaagster met dit alles wilde helpen en dat gaandeweg de grenzen zijn vervaagd. Dit laatste blijkt ook uit (de inhoud van) de vele e-mails en sms-berichten die verweerder aan klaagster stuurde, het maken van privé-afspraken en het feit dat verweerder regelmatig klaagsters rug masseerde tijdens de contacten die hij met haar had. Op
6 november 2016 heeft verweerder seksueel contact met klaagster gehad en haar € 50,- gegeven voor haar verjaardag. Pas toen klaagster verweerder en zijn collega-huisartsen in de maatschap per sms en e-mail er op wees, leek verweerder tot het besef te komen dat hij de grenzen van het professionele handelen in ernstige mate had overschreden. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij wel enige twijfels heeft gehad bij het masseren van de rug van klaagster maar dat hij bij het ontwikkelen van hun vriendschap er verder niet over heeft nagedacht. Volgens verweerder is hij er argeloos ingelopen. Hij vindt het ernstig wat hij heeft gedaan en zeer betreurenswaardig. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij wekelijks hulp krijgt van een (loopbaan)psycholoog maar dat er nog geen concrete plannen zijn voor de toekomst.Hij is gestopt met zijn werkzaamheden als huisarts en SCEN-arts en hij is uit zijn maatschap gestapt. Verweerder ziet in dat hij niet meer als huisarts aan het werk kan gaan omdat de gebeurtenissen hem blijven achtervolgen. Het lijkt hem dan ook beter om geen contact met patiënten meer te hebben. Hij sluit niet uit dat hij nog wel op enige andere wijze in de gezondheidszorg werkzaam zal blijven.
Het college is met verweerder van oordeel dat verweerder geen behandelrelatie meer kan aangaan met een patiënt. Uit de verklaringen van verweerder volgt naar het oordeel van het college onvoldoende dat er geen risico op recidive bestaat. Ondanks de uitleg van verweerder is het voor het college niet goed duidelijk geworden waarom hij niet eerder het grensoverschrijdende karakter van zijn handelen heeft ingezien. Naar het oordeel van het college is niet uit te sluiten dat verweerder in de toekomst weer praktijk gaat voeren. Dan is het niet uitgesloten dat verweerder nogmaals in de fout gaat. Het college hecht eraan dat wordt voorkomen dat verweerder weer in grensoverschrijdend gedrag vervalt. Het feit dat hij inmiddels onder behandeling van een psycholoog staat, neemt de zorgen over het recidiverisico niet weg, nu het voor het college niet duidelijk is geworden waar deze therapie precies op is gericht en wat de vorderingen zijn. Al met al is het college er niet van overtuigd dat verweerder voldoende inzicht heeft verworven in de factoren die hebben bijgedragen aan zijn grensoverschrijdende gedrag en over hoe dit in de toekomst voorkomen dient te worden. In het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg zal daarom aan verweerder de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register worden opgelegd.
6. DE BESLISSING
Het college:
– verklaart de klacht gegrond;
– beveelt de doorhaling van verweerders inschrijving in het BIG-register.
Aldus gedaan door mr. H.L. Wattel, voorzitter, prof. mr. J.C.J. Dute, lid-jurist,
dr. F. Brus, A.S.M. Kraak en P. Jongerius, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Bart, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2017 door
mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
The post Huisarts W.Krook pleegt jarenlang ontucht: Eén dag celstraf en honderd uur taakstraf appeared first on SIN-NL.